In Fight the Power / Self-portrait 54 hangt een gebalde vuist, het vertrouwde symbool van verzet, solidariteit en strijd. Alleen wie langer kijkt, merkt dat hier iets niet klopt. De vuist is binnenstebuiten gekeerd. Het is een gebaar geworden dat zich niet langer naar de wereld richt, maar naar degene die het maakt.
Daardoor verandert de betekenis. Wat eerst een helder teken van opstand leek, wordt nu een vraag. Waartegen verzetten we ons eigenlijk? En vanaf welke positie voeren we die strijd? De omkering dwingt de beschouwer ook om naar de motieven die erachter schuilgaan, te kijken.
Strijd voor een ideaal is zelden belangeloos. Ook in de meest overtuigde daad kan eigenbelang, ijdelheid of verlangen naar erkenning verborgen liggen. Bestaat onvoorwaardelijk verzet eigenlijk wel? Misschien begint iedere werkelijke strijd juist bij het onderkennen van die dubbelzinnigheid: het besef dat degene die de vuist heft zelf nooit buiten het conflict staat.